Smaak naar meer Status en smaak
Neem nu de smaak van een aardbei Wat verbruikt Nederland?
Smakelijk! Smaakstoffen zijn overal
Geur en smaak Natuurlijk, Natuur-identiek en kunstmatig
Industriële revolutie Gezond
Kleur en smaak De aardbei als chemische fabriek
Bereiding en smaak Recente ontwikkelingen
Vraag naar smaak De toekomst
Verbruik in cijfers Geest en smaak

 
 

Nederland was één van de eerste landen waar in de tweede helft van de negentiende eeuw een geur- en smaakstoffenindustrie ontstond. Op het gebied van ontwikkelen, produceren en toepassen van aroma's heeft ons land sindsdien wereldwijd een goede naam opgebouwd. De Nederlandse geur- en smaakstoffenindustrie telt ongeveer dertien bedrijven, waarvan er drie behoren tot de top tien van de wereld.

Om aan de vraag naar natuurlijke aardbeienaroma te voldoen, zou heel Europa met aardbeienplanten bedekt moeten zijn. Maar goed dus dat er zoiets is als de smaakstoffenindustrie. Die kan met een enorme precisie de smaakbepalende verbindingen van de aardbei nabootsen, synthetiseren. In bijzonder zuivere vorm en zonder bijproducten.

Precies zoals dat in de natuur gebeurt, maar dan veel nauwkeuriger, veel beter gecontroleerd, veel veiliger en heel zuiver. En zo kan onze productie met 1 kilo aardbeienaroma evenveel smaak maken als er in 50.000 kilo verse aardbeien zit.

 

Horen, zien, voelen, ruiken en proeven. Dagelijks gebruik je al je zintuigen om je 'door het leven te slaan'. Neem nu eens een aardbei.

Copyright Quest Als het een goede is, zie je dat aan de mooie, rode kleur. Een te groene of al halfbruine zouden we direct afkeuren. En je voelt tussen de vingers dat-ie niet te hard (nog niet rijp) of te zacht (al rot) is. Een verse aardbei is redelijk zacht maar toch stevig, ook als je er op kauwt. Voelen doe je ook met je mond, dus. Met een beetje fantasie zou je zelfs je gehoor in kunnen schakelen.

Als je je tanden zet in een halfrijp exemplaar, zal je dat minder prettig in de oren klinken dan wanneer je in een rijpe, verse aardbei bijt. Dan de reuk: een verse aardbei heeft een zoete, subtiele geur. Als hij naar bloemkool zou ruiken, zou je hem waarschijnlijk niet opeten. En tot slot de smaak, een combinatie van zoet met lichtzuur. Als de aardbei te zuur, zout of bitter is, spuug je hem meteen uit.

Al deze zintuiglijke waarnemingen onderga je niet afzonderlijk. Integendeel. Ze vullen elkaar aan. Als je een aardbei in je mond stopt, krijg je binnen een paar seconden een totaalindruk. Daarom is het zo belangrijk dat alle vijf zintuigen optimaal functioneren en goed samenwerken. En al zijn zicht en gehoor de zintuigen waarop de mens het meest vertrouwt: toch hebben geur en smaak een wezenlijke functie. Een mens reageert er sterker op dan hij doorgaans beseft. Eten dat slecht smaakt, of dat helemaal geen smaak heeft, laat je toch liever staan? Op deze site nemen we je mee in de wereld die smaak heet.

De Nederlandse industrie telt dertien bedrijven, waarvan er drie behoren tot de top tien wereldwijd. Eén van hen heeft zijn hoofdzetel in Nederland. De binnenlandse productie wordt getaxeerd op 560 miljoen euro. Hiervan wordt ongeveer 85% geëxporteerd.

 

De Dikke van Dale omschrijft smaak (m) als 'het zintuig waarmee men de indrukken van spijs en drank waarneemt', 'de indruk die op de tong van spijs en drank wordt waargenomen', '(eet)lust'.

Nog anders gezegd: smaak is een gewaarwording die ontstaat als opgeloste stoffen in contact komen met smaakcellen in de mondholte. Smaak is dus een beleving (hoe ervaar je iets?) en gewaarwording (wat merk je op?), beide abstracte begrippen. Bovendien is de beoordeling ervan heel persoonlijk: de één lust spruitjes, de ander niet. Welke aroma's, smaakstoffen, gekozen worden is daarnaast afhankelijk van de locale cultuur.
De Franse keuken associeer je met andere aroma's dan de Griekse, Spaanse of Oosterse. Kaviaar is Russisch en bij Hongarije zeg je: 'Goulash, paprika!' Al die keukens hebben hun eigen 'aromatisering'. Wat echter voor allemaal geldt: er zijn maar een paar basisindrukken waarvoor de smaakpapillen in de mond gevoelig zijn. Dat zijn zout, zoet, zuur en bitter. Al het andere wat je denkt te proeven, ruik je eigenlijk. Als je je neus dichtknijpt, of verkouden bent, proef je toch nauwelijks iets? Geur en smaak zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden.
 

Smaak en geur horen bij elkaar. Wat wij 'smaak' noemen is voor een groot deel geur.

Copyright Quest Onze tong kan alleen vaststellen of iets zoet, zuur, zout of bitter, is: meer kan de tong niet waarnemen. Ja, als tastzintuig om temperatuur en vorm te kunnen bepalen: 'De soep is te heet, de rode wijn is te koud, er zit een klontje in de pap, de aarbei is te hard/zacht'. Maar bij proeven of ruiken is het menselijk oog nog belangrijker dan neus of tong. Vóór wij voedsel of drank consumeren, kijken we er immers naar. Ons oog zet dan in eerste instantie het licht voor de neus en tong op groen. Zegt het oog 'Pas op!', dan worden reuk- en smaakzintuig gealarmeerd. Zet iemand maar eens een kop tomatensoep voor en vraag wat het is. Het antwoord zal meestal luiden 'Tomatensoep'. Interessant wordt het om dan eens door te vragen. Hoe is de proefpersoon tot die conclusie gekomen? Doorgaans zal hij antwoorden dat het product in een soepkop is opgediend, dat er een soeplepel naast ligt en dat de vloeistof de kleur van tomaat heeft. Je ziet het: het oog komt het eerst aan bod. Als vervolgens de neus en de tong de indruk 'tomatensoep' bevestigen, gaat men eten. Maar voeg er vervolgens eens een niet smakende kleurstof aan de soep toe, bijvoorbeeld het paars, waarmee banketbakkers taartversieringen maken. Wat gebeurt er? De proefpersoon kan opeens geen hap meer door zijn keel krijgen. Zijn verstand zegt hem: 'Dit is tomatensoep. Dat heb ik zelf vastgesteld, alleen de kleur is veranderd', maar zijn oog waarschuwt hem: 'Kijk uit, tomatensoep kan nooit paars zijn'. Dit seintje gaat door naar de hersenen, die vervolgens de neus en de tong lamleggen. Een ander voorbeeld. We kijken naar een citroen. Het oog herkent de citroen. Onze hersencomputer vertelt ons dat een citroen zuur smaakt, waarop onze speekselklieren meteen reageren, zonder dat zij met het zure citroensap in aanraking zijn gekomen! Wij hebben het weer eens met het oog geproefd!
 

De ontstaansgeschiedenis van de geur- en smaakstoffenindustrie gaat terug naar het midden van de vorige eeuw. Een belangrijke periode: het begin van de Industriële Revolutie.

Het oude ambachtswerk maakte, uit economische noodzaak, plaats voor semi-industriële bereiding. Naarmate de suikerbakkers, koekenbakkers en drankstokers groter werden, kwam er behoefte aan één bron die de smaakstof zou kunnen leveren in geconcentreerde vorm. Deze periode bracht ook de opkomst van de chemie, in één adem te noemen met de fysica. De eerste industriële processen waren extractieprocessen. Uit kaneelbast werd bijvoorbeeld kaneelolie getrokken en uit bittere amandelolie benzaldehyde. Echte synthetische geurstoffen werden rond 1850 geïntroduceerd, zoals menthylsalicylaat en benzaldehyde. Nog wat later kwamen vanilline en coumarine. De trek naar de steden, verder weg van de natuurlijke bronnen van smaakstoffen, versnelde de ontwikkelingen. De weg van producent naar consument werd langer; veel 'smaak' ging verloren op weg naar de markt. Tegelijkertijd groeide de wereldbevolking en steeg de welvaart. Méér monden vroegen – in het begin aarzelend – om méér smaak. Men ontdekte de essentie van eten en drinken: naast de benodigde calorieën gaat het toch ook om geur en smaak. Bovendien kwam men er achter dat smaakstoffen naast hun voedingswaarde ook een belangrijke functie kunnen vervullen bij de spijsvertering. Neem de zogenaamde 'appetizers', in het Nederlands eetlustopwekkers genoemd. Deze prikkelen de speekselklieren – en andere organen die de spijsverteringssappen afscheiden – om harder te gaan werken.

Genoemde ontwikkelingen vonden vooral in Europa –de oude wereld- plaats. Nederland speelde daarbij een belangrijke rol. Van oudsher waren we een handelsnatie. Bovendien was Amsterdam eeuwenlang stapelplaats geweest voor specerijen en kruiden. De grote fruitoogsten (aardbeien uit Beverwijk, kersen uit de Betuwe en zwarte bessen uit Oost Groningen) leidden tot de fabricage van extracten, destillaten en geconcentreerde sappen. Dit waren de eerste grondstoffen voor essences en aroma's.

 

Kleur en smaak van voedsel staan niet op zichzelf. Ze zijn nauw met elkaar en met het product verbonden.

Copyright Quest Sinaasappelsap dient oranjegeel te zijn, spinazie groen. Als er afwijkingen optreden in deze patronen, gaat de consument twijfelen. Heb ik het wel goed gezien? En is het wel eet- of drinkbaar? Zo komt een bord paarse spinazie wonderlijk over.
En een tomaat? Die behoort rood te zijn. Groen staat bij een tomaat voor onrijp en dan kun je hem beter niet eten.
 

Levensmiddelen hebben hun eigen kleur- en aromastoffen. Maar als je ze gaat bereiden, treden er belangrijke veranderingen op in dat kleur- en smaakpatroon.

Rauw vlees smaakt en oogt bijvoorbeeld heel anders dan wanneer het is gebakken, gebraden, gekookt of gebarbecued. Of neem een haring. We kennen verse, nieuwe haring, maar ook gezouten, gerookte, gebakken of zure. Bereiden is trouwens niet alleen een kwestie van verhitten.

Vaak moeten kruiden worden toegevoegd, soms volgens traditionele voorschriften. Zo is rode kool onlosmakelijk verbonden met kruidnagel. Bij zuurkool zijn peperkorrels vaste prik, en vaak ook jeneverbessen. Sla een kookboek open en je vindt volop voorbeelden dat bij bepaalde levensmiddelen bepaalde smaakpatronen horen.

 

Voor 1850 werd het ambacht van geur- en smaakstoffen maken vooral uitgeoefend door apothekers. Zo was het een Amerikaanse apotheker die in 1870 het Coca Cola-recept samenstelde, als antikaterdrank.

Copyright Givaudan Apothekers beschikten over eenvoudige destillatieapparatuur en wisten ook hoe je stoffen gelijkmatig moest mengen en roeren. Wat bovendien in hun voordeel werkte, was dat ze enige kennis hadden van chemie – hoe gebrekkig die toen ook nog was. Ook in ons land stond een apotheker aan de wieg van de geur- en smaakstoffenindustrie. In 1870 begon ene Henman Büter een essencefabriek in Zwolle. Rond de eeuwwisseling volgden er meer: Polak & Schwarz (na een fusie behorend tot IFF, het grootste smaak- en geurstoffenconcern ter wereld), de N.V. Chemische Fabriek Naarden (nu Quest International geheten en onderdeel van ICI), Polak's Frutal Works (tegenwoordig Givaudan en PFW) en diverse kleinere firma's.
De allereerste grondstoffen die deze fabrieken ter beschikking stonden, waren: Dit was het palet waarmee de 'flavourist' (smaakmaker) en parfumeur het moesten doen, eind negentiende en begin twintigste eeuw. Het waren praktisch allemaal natuurlijke grondstoffen, die door fysische processen werden onttrokken aan het organische basismateriaal, zoals bloemen, planten en vruchten. Die fysische processen waren soms al eeuwen bekend. Neem bijvoorbeeld extractie (koffie of thee zetten), fermentatie (door gisting verkregen, zoals bij bier, wijn, yoghurt en kaas) en destillatie. De smaakstoffen uit die tijd werden maar in een beperkt aantal producten toegepast: Copyright Quest
  • limonade (siroop)
  • likeur
  • suikerwerk (fondant, borstplaat, zuurtjes)
  • bakkersproducten (cake, speculaas)
  • margarine
  • kauwgom (was er toen ook al!)
  • farmaceutische producten.
In de twintigste eeuw ging de groei van de wereldbevolking gestaag door. Vooral in de geïndustrialiseerde wereld kwam de mens verder van de bron van de smaakstof (de natuur) te staan. We werden veeleisender. Wilden bijvoorbeeld in de winter ook wel eens aardbeiensmaak proeven. Na de Tweede Wereldoorlog leidde een groeiende vraag naar geur en smaak tot schaarste. En schaarste – en dus prijs – vormde op zijn beurt dé prikkel voor de smaak- en geurindustrie om tot nieuwe producten te komen, door innovatie en research. De fysica en de chemie hielpen een handje. Dankzij de fysica beschikt men tegenwoordig over uiterst gevoelige apparatuur, zoals gas- en vloeistofchromatograaf, de massasprectometer, en de NMR (nuclear magnetic resonance). Hiermee kon men de samenstelling van natuurlijke aroma's ontraadselen. Zo werden in bijvoorbeeld de aardbei 400 verbindingen gevonden en in koffie zelfs 800.
Door intensieve research is het aantal bekende smaakstofcomponenten in de tweede helft van de twintigste eeuw gegroeid van 400 tot meer dan 6000. En nog dagelijks worden er nieuwe gevonden.
 

De totale omzet van de geur- en smaakstoffenindustrie in Nederland bedraagt zo'n 560 miljoen euro per jaar – ruim 5% van de totale wereldomzet.

Niet slecht voor een land dat slechts 0,25% van de wereldbevolking herbergt. Dat betekent overigens niet dat Nederlanders zich overmatig parfumeren en zich te buiten gaan aan consumeren. Ongeveer 85% van onze productie wordt geëxporteerd, naar alle uithoeken van de wereld.
 

Eten – het kunnen beschikken over smakelijk, goed, gearomatiseerd voedsel – werd in de loop der eeuwen een statussymbool.

Zo laat Barbara Tuchman in haar boek 'A distant mirror' zien hoe in de veertiende eeuw niet alleen strikt geregeld was welke kleding de verschillende klassen mochten dragen, maar ook hoeveel schotels zij per maaltijd mochten nuttigen. Dit werd helemaal een trend toen de levensmiddelenindustrie opkwam en industriële bereiding van aroma's mogelijk werd.

Smakelijker – en vooral ook gevarieerder – voedsel kwam onder het bereik van aanzienlijk bredere lagen van de bevolking. Het werd gemeengoed. Bovendien kwamen we, als gevolg van een grotere mobiliteit, in aanraking met andere culturen. En daarmee ook met uitgesprokener aromapatronen. Meer mensen gingen op vakantie naar verre landen. Ook de band met het voormalige Nederlands-Indië heeft een stempel op de Nederlandse keuken gedrukt. Nasi goreng en loempia zijn gemeengoed geworden op ons menu, met de bijbehorende sambals en ketjap. En Italiaanse en Mexicaanse gerechten zijn inmiddels eveneens aardig ingeburgerd.

 

Nederlanders verorberen aan voedings- en genotmiddelen (eten en drinken, exclusief water) gemiddeld 950 kg per jaar. Dat is het gewicht van een ruime middenklasse-auto!

Die 950 kg bevatten ongeveer 0,5 kg aan smaakstoffen die op een of andere manier van nature in onze voeding aanwezig zijn. Een percentage dus van slechts 0,05%. Maar wat zou ons leven saai zijn zonder die smaken… Nog aantrekkelijker wordt ons dagelijks menu door gecontroleerde smaakstoffen aan producten toe te voegen die zelf geen – of te weinig – smaak hebben.

Daarvoor gebruiken we echter niet meer dan 25 gram per jaar – het gewicht van een half ei. Die 25 gram zijn samengesteld uit enige duizenden stoffen.

 

Wat doet de geur- en smaakstoffenindustrie nou precies? We hebben eerst de duidelijkste smaakcomponenten geïsoleerd. Vervolgens is hun chemische structuur opgehelderd, en daarna gesynthetiseerd.

Copyright Quest Op die manier hebben we duizenden ingrediënten kunnen toevoegen aan het palet van de flavourist, de smaakmaker. Wij noemen die ingrediënten natuuridentiek. Tegenwoordig worden smaakstoffen in tal van eindproducten toegepast. In zuivelproducten bijvoorbeeld. In soepen en sauzen, diepvriesproducten, worst, conserven, snacks, ijs, en zelfs in tabak en honden- en kattenvoer.

De meest gebruikte smaaktypen zijn: vanille, sinaasappel, aardbei, boter, citroen, pepermunt en cola. Je ziet het: smaak- en geurstoffen kom je de hele dag tegen. Van 's morgens vroeg als je je tanden poetst, tot 's avonds laat bij de koffie of borrel. Tientallen malen per dag. De grootste producent van smaakstoffen ben je trouwens zelf. Als je bijvoorbeeld in de keuken staat te bakken en braden, breng je onder invloed van temperatuur, tientallen chemische reacties teweeg tussen eiwitten, vetten en koolhydraten.

 

Het aantal grondstoffen en het karakter ervan is in de loop der jaren gegroeid. De smaakstoffen zijn onder te verdelen in de ingrediënten-categorieën natuurlijk, natuur-identiek en kunstmatig.
  • Natuurlijk
Hieronder verstaan we ingrediënten die via fysische processen (extractie, destillatie) zijn verkregen uit voor voeding geschikt materiaal. Echte vanille bijvoorbeeld, afkomstig van de orchidee, is een voorbeeld van een natuurlijk ingrediënt. Madagaskar is de voornaamste producent. Deze natuurlijke stof is echter zo schaars, dat de mensheid de totale productie in een weekend zou consumeren.
  • Natuur-identiek
Dit zijn verbindingen die we in de natuur hebben aangetroffen en die we heel zuiver kunnen namaken. Voorbeeld: vanilline 'de vervanger' van de echte vanille (hierboven), behoort tot deze (grote) groep natuuridentieke grondstoffen. Gewonnen uit hout, in plaats van schaarse orchideeën… En zo zijn er nog meer voorbeelden te noemen: anethol uit hout in plaats van steranijsolie; synthetische muskus in plaats van het natuurproduct, een uitwerpsel van het muskushert; citronellol in plaats van rozenolie (1 kilo uit 30 à 40 miljoen rozenblaadjes).
  • Kunstmatig

Van kunstmatige smaakstoffen zijn enkele honderden bekend. Ze zijn (nog) niet in ons voedsel aangetoond en worden door synthese verkregen. Het gebruik ervan loopt echter terug.

Daarvoor gebruiken we echter niet meer dan 25 gram per jaar – het gewicht van een half ei. Die 25 gram zijn samengesteld uit enige duizenden stoffen.

 

Vaak wordt de vraag gesteld of al die toevoegingen wel gezond zijn. De vraag komt voort uit het wijdverbreide misverstand dat wat natuurlijk is, ook automatisch gezond is.

Zo'n 2000 jaar geleden was alles wat mensen aten puur natuur. Maar dat verhinderde niet dat de mens gemiddeld niet ouder werd dan 31 jaar! Neem nu de aardappel. Natuurproduct? Ja zeker. Maar pas wel op voor het uiterst giftige solanine dat zich in de groene delen van de aardappel bevindt. Of neem koffie. Lekker, maar beseffen we wel dat we per jaar gemiddeld 8 kilo koffie per persoon gebruiken? En dat daarin – los van de cafeïne – zeker 400 mg van het giftige pyridine zit? Zo kunnen we wel even doorgaan.
 

De aardbei, waar we dit verhaal mee begonnen, bestaat uit meer dan 400 verbindingen; door de natuur gevormde, dat wil zeggen door haar gesynthetiseerde, chemische verbindingen.

Copyright Givaudan Water en fructose zijn met 80% en 5% de belangrijkste. De meeste verbindingen zijn voor de smaak onbelangrijk; sommige zijn zelfs giftig. Een kilo aardbeien bevat 0,1 mg phenolen en 0,01 mg benzeen. Lust je ze nog steeds? Niet bang geworden om ze te eten? Ja, er zitten giftige stoffen in, maar zoals P.A. Paracelsus (Theophrastus Bombastus von Hohenheim, Zwitsers alchemist en arts, 1493 - 1541) al zei: "Sola dosis facit venenum".

Oftewel: alleen de hoeveelheid maakt het gif. Wanneer je twee kilo aardbeien per dag eet, is dat niet bepaald goed voor je. Maar zo nu en dan een bakje aardbeien als toetje kan geen kwaad. Zo is ook het snufje zout in het eten op zich niet schadelijk behalve wellicht voor de bloeddruk. Maar als je in één keer 100 gram zout zou eten, zou je het niet overleven. Wat doet de natuur om ons die sensatie van de aardbeiensmaak te laten ondergaan? Daarvoor vinden in de gesloten chemische fabriek die een groeiende aardbei nu eenmaal is, honderden chemische processen plaats. Alles, giftig of niet giftig, smaakstof of gewoon water, blijft binnen de muren van die aardbei. 400 stoffen worden er gevormd, waarvan er wellicht niet meer dan zes bijdragen aan de smaak. De smaak, de essentie van de aardbei en de enige reden waarom we hem eten, wordt over de hele wereld gevraagd. Maar om aan de vraag naar natuurlijk aardbeienaroma te voldoen, zou heel Europa met aardbeienplanten bedekt moeten zijn!
Gelukkig is er dan de smaakstoffenindustrie. Die kan met een enorme precisie de smaakbepalende verbindingen van de aardbei nabootsen, synthetiseren. In bijzonder zuivere vorm en zonder bijproducten. Precies zoals dat in de natuur gebeurt – maar dan veel nauwkeuriger, veel beter gecontroleerd, en heel zuiver. En zo kan onze industrie met 1 kilo aardbeienaroma evenveel smaak maken als er in 50.000 kilo verse aardbeien zit.

 

In de jaren tachtig is een nieuwe dimensie toegevoegd aan het palet van grondstoffen: smaakstoffen die volgens 'natuurlijke' processen worden gemaakt. Voorbeelden hiervan zijn:
  • Process flavourings, die industrieel worden gemaakt op de manier waarop we in de keuken koken, bakken en braden
  • Enzymatische processen, die al een keur aan grondstoffen hebben opgeleverd. Ze zijn echter vrij prijzig en beslist niet beter dan de producten die langs chemische weg worden geproduceerd. Een voorbeeld is boterzuur. Het synthetische product kost een paar euro per kilo; het 'natuurlijke'  90 euro.
Maar het publiek hangt sterk aan het predikaat 'natuurlijk'. Als industrie spelen we daarop in met steeds nieuwe methoden en technologieën: Copyright Quest
  • 'plant cell tissue culture', een van de zuiverste vormen van biotechnologie, heeft zeker een toekomst
  • genetische engineering, voor nieuwe enzymen en nieuwe plantvariëteiten
  • extractie door middel van vloeibaar koolzuur. Dit proces wordt ook gebruikt om cafeïnevrije koffie te maken
  • zuivering door dialyse, membraan processen
  • gebruik van ionenwisselaars
  • verfijnde destillatietechnieken.

 


De industrie blijft voortdurend in verandering. De wereldwijde concentratie van bedrijven gaat verder, zowel in de geur- en smaakstoffenindustrie als in de voedingsmiddelenindustrie. Uitgebreide research blijft noodzakelijk, net als de zorg voor het milieu.

Eén ding is zeker: geur en smaak zijn niet weg te denken uit het dagelijkse leven. De mens wil zich blijven omringen met dingen die hem blij maken, zelfvertrouwen geven. Dingen die het dagelijks bestaan tot een belevenis maken. En voor smaakstoffen geldt dat zolang er mensen zijn, de vraag naar goede producten zal toenemen.
 

'Met iets in je maag zitten'. 'De liefde van de man gaat door de maag'.

Spreekwoorden, die aangeven dat fysiek vaak psychisch is, dat lichaam en geest nauw met elkaar verbonden zijn. Een smaakvolle maaltijd kan je troosten en over een dood punt heen helpen. Het kan ontspannend werken, de stemming verbeteren. Trouwens ook in het maatschappelijke verkeer. Iedereen weet dat zakelijke problemen veel makkelijker zijn op te lossen bij een goed diner, dan aan een kaal bureau. Waar tegenover staat, dat iemand zijn angst, onrust, onlust, eenzaamheid ook letterlijk kan proberen 'weg te eten'. Aan zo'n eetpatroon ligt een emotioneel probleem ten grondslag. Denk aan een film als 'La Grande Bouffe'; denk ook aan een ziekte als anorexia nervosa.

Bronvermelding

De informatie op deze site is gebaseerd op vroegere uitgaven van de NEA, te weten:

Langs uw neus weg
Waarom eten wij (Dr. H. van den Dool)
40 jaar NEA (Ing. H.N. van der Vlugt)